#1
Op een dag, toen ik 2 weken opgenomen was, zat ik buiten in mijn capuchontrui, capuchon op mijn hoofd, te huilen op de stenen. Enige plek waar ik uit het zicht van de groep was. Waarschijnlijk vol in het zicht van de camera’s.
Ik vond dat ‘ze’, de jongens, mij aan het pesten waren.
Er volgde een gesprek met de leiding. Waarom ik dat zo ervaarde, waarom ik ze überhaupt zo veel ruimte gaf, waarom ik ze steeds opzocht terwijl het allemaal foute types waren.
Dat laatste was best simpel, ik zie niet ‘foute types’. En er waren niet heel veel opties om te zitten. Je mocht in je eigen huiskamer maar niet in de andere huiskamers. En ook niet steeds op je kamer. Dus veel meer dan die ene zithoek was er niet.
Toch werd het een goed gesprek waarin ik ook zag wat ik in de familie doe. Pleasen, neutraal zijn, luisterend oor bieden. Alles voor de lieve vrede. De oudste en de wijste zijn. Ik heb het lang volgehouden maar toen het mis ging, ging het ook goed mis.
In het gesprek werd duidelijk dat ik nu uit situaties kan stappen of de simpelweg niet op kan zoeken. Dat dat vroeger in de gezinssituatie moeilijk was maar dat dat voorbij is. Grappig hoe 1 zo’n gesprek beter werkt dan 10 x psychiater. Omdat ze in zo’n instelling naar je kunnen kijken. Een psychiater heeft daar geen tijd voor.
Ik heb daarna iets meer de ruimte opgezocht maar me ook gerealiseerd dat ik het bij de meute gewoon gezellig vond en dat ik niet bang voor ze was. Natuurlijk weet ik dat het boeffies zijn. Maar wel lieve boeffies.
Ik kan nu bepaalde patronen in de familie beter uitleggen voor mezelf. En gelukkig kan ik de medicatie weer zelf beheren. Dat dat via de familie moest was een noodzakelijk kwaad maar het was verschrikkelijk. Er zal nog een weg te gaan zijn. Maar het is niet kapot.
Ik vond dat ‘ze’, de jongens, mij aan het pesten waren.
Er volgde een gesprek met de leiding. Waarom ik dat zo ervaarde, waarom ik ze überhaupt zo veel ruimte gaf, waarom ik ze steeds opzocht terwijl het allemaal foute types waren.
Dat laatste was best simpel, ik zie niet ‘foute types’. En er waren niet heel veel opties om te zitten. Je mocht in je eigen huiskamer maar niet in de andere huiskamers. En ook niet steeds op je kamer. Dus veel meer dan die ene zithoek was er niet.
Toch werd het een goed gesprek waarin ik ook zag wat ik in de familie doe. Pleasen, neutraal zijn, luisterend oor bieden. Alles voor de lieve vrede. De oudste en de wijste zijn. Ik heb het lang volgehouden maar toen het mis ging, ging het ook goed mis.
In het gesprek werd duidelijk dat ik nu uit situaties kan stappen of de simpelweg niet op kan zoeken. Dat dat vroeger in de gezinssituatie moeilijk was maar dat dat voorbij is. Grappig hoe 1 zo’n gesprek beter werkt dan 10 x psychiater. Omdat ze in zo’n instelling naar je kunnen kijken. Een psychiater heeft daar geen tijd voor.
Ik heb daarna iets meer de ruimte opgezocht maar me ook gerealiseerd dat ik het bij de meute gewoon gezellig vond en dat ik niet bang voor ze was. Natuurlijk weet ik dat het boeffies zijn. Maar wel lieve boeffies.
Ik kan nu bepaalde patronen in de familie beter uitleggen voor mezelf. En gelukkig kan ik de medicatie weer zelf beheren. Dat dat via de familie moest was een noodzakelijk kwaad maar het was verschrikkelijk. Er zal nog een weg te gaan zijn. Maar het is niet kapot.