Dat staan we allemaal.
Uiteraard.
Hoe anders dan qua taal kan ik met je communiceren, zeker op een online platform.
Dat kan ik ook niet.
Als je het zo wilt zien.
Ik probeer je (helaas middels taal, dat is het gebrekkige medium dat ik tot mijn beschikking heb) te verwijzen naar dat wat vóór taal is.
Nee, de toetsing is duidelijk geformuleerd: het "antwoord" ligt in de directe observatie van het hier en nu.
Maar jij wilt dit met je verstand begrijpen. En ik zeg je nogmaals: je verstand zal dit nóóit kunnen begrijpen. Nooit.
Het is slechts observatie van dit moment nu. Slechts alles laten zijn zoals het is, zĂłnder het proberen verstandelijk te begrijpen.
Jij gaf aan last te hebben van teveel gedachten. Vandaar: stop met meegaan in gedachten en observeer: wat is hier nĂș? Wat is dit voor me waar ik naar kijk? Voorbij alle namen die we er zelf aan hebben gegeven. Het is de vraag die belangrijk is, niet het antwoord.
Kijk:
Ik zette "in ons" met opzet tussen haakjes. Het is niet echt Ăn ons. Het Ăs ons. Wat wij zijn, is tegelijk dat wat kijkt. En nĂłg een stap verder: wat gezien wordt, Ăs ons. Subject en object zijn hetzelfde: 1 ding.
Dus als je die directere manier van kijken kunt hanteren: alleen maar beter.
Alleen, vaak is dat te direct. Voor mij is dat vaak te direct. Ik heb vaak een tussenstapje nodig.
Je mag ervan denken wat je wilt.
Yup, denken heeft een grens. Dat is wat ik aangeef.
Ik weet dat geen van mijn antwoorden de kooi ooit open kunnen breken.
Daarom probeer ik het ook niet. Het is absoluut zinloos.
Alleen niet-denken kan je tonen:
De kooi is er nooit geweest. Je denken = de (illusionaire) kooi.
We zijn nu 10 reacties verder, en ik moet vaststellen: je antwoorden zijn geen antwoorden, maar ontwijkingen vermomd als diepgang.
Laat me dat concreet maken:
Je zegt dat denken de kooi is, en dat alleen âniet-denkenâ de kooi doet verdwijnen.
Maar wie of wat stelt dat vast?
Wie of wat concludeert: âaha, ik ben uit de kooiâ?
Want zodra je zegt: âhet is direct weten, je moet het zien,â dan presumeer je een waarnemer.
En als dat geen âikâ is, geen denken, geen systeem wat is het dan?
Je zegt: âhet Ăs ons.â Maar je zegt óók: âhet denken is de illusie.â
Als jij het dan hebt over iets dat jij hebt ervaren,
dan ben je Ăłf nog steeds binnen die illusie,
Ăłf je claimt toegang tot iets bovennatuurlijks waar niemand anders bij kan.
Dus zeg het maar:
Is er Ăemand anders op deze wereld, levend of dood, die ditzelfde beschrijft zoals jij? Kun je een naam geven, een tekst citeren, een filosofische stroming aanwijzen?
Of is dit werkelijk iets wat alléén jij ervaart?
Als het dat laatste is, wees dan gewoon eerlijk:
je presenteert geen inzicht je claimt een openbaring.
En dan wil ik dat je dat erkent. Want wat jij nu doet is dit:
Je zegt: âde antwoorden liggen buiten taal, buiten het ik, buiten tijd.â
Maar je gebruikt voortdurend taal, een ik, en tijd (denk alleen al aan âopzij zetten,â ânu,â âdirect ervarenâ).
En zodra ik die tegenstrijdigheid benoem, zeg je: âtja, dat is nou eenmaal het nadeel van taal.â
Alsof ik een boek lees dat zegt: âwoorden zijn zinloos,â en elk volgend hoofdstuk roept: âzie je nou wel?â
Dus laat ik de kernvraag nog één keer stellen:
Wat is dat âzienâ waarvan jij zegt dat het buiten het systeem valt?
En als dat werkelijk buiten het menselijke systeem valt â
waarom kan jij het dan beschrijven, maar niemand anders bevestigen?
Als jij iets ervaart wat buiten taal, denken, gevoel, vorm en interpretatie valt,
dan kan het niet door het systeem worden verwerkt en dus ook niet gedeeld worden.
Toch doe je precies dat.
Laat ik het scherp zeggen:
Je zegt dat de kooi niet bestaat, maar elk woord dat je schrijft is een tralie.
En zodra iemand daar met een sleutel aankomt,
zeg jij: âde deur was nooit op slot, je moet het alleen zien.â
Dat is geen wijsheid.
Dat is taalkundige touwtjesacrobatiek om geen antwoord te hoeven geven.
Dus ik stel één laatste, simpele vraag â en daarna is voor mij de discussie voorbij:
Wat bedoel jij exact met âzien wat isâ?
Welk systeem of mechanisme ervaart dat?
En waar blijkt uit dat dit erbuiten valt?
Zolang je dat niet concreet kunt maken â
zonder te vervallen in abstracte mist, semantisch ontwijken of subjectieve kringredeneringen â
dan is dit geen gesprek meer.
Was het maar een paradox. Was het maar een mystieke stelling.
Maar jouw antwoorden zijn zĂł vaag, dat het voelt alsof je me vraagt te kijken naar een opgegeten boterham.
Er is niks om naar te kijken, niks om op te reflecteren â en toch moet ik doen alsof ik het zie.
Dat is geen inzicht.
Dat is verdwijntruc-retoriek.
Jouw move.