Dat doe ik wel, er is alleen geen simpel ja of nee antwoord op, omdat je onvermijdelijk op de vervolgvraag komt: "en hoe weet je dat dan?"
En dat is waar het lastig wordt
Ik ben persoonlijk inderdaad meer aanhanger van de aanpak-Goodall. Volgens mij is het wel redelijk duidelijk wat een gevoelswereld heeft en wat niet. Dat zie je wel, als je met genoeg aandacht en nieuwsgierigheid observeert. Zo is er een hedendaagse discussie of vissen wel of geen pijn kunnen ervaren. Als je het mij vraagt is dat duidelijk. Een vis gaat enorm spartelen als je iets doet waarvan je redelijkerwijs kunt denken dat het pijn doet (zoals een haak door zijn bek heen steken). Dan zijn er misschien biologen die beweren dat het niet wetenschappelijk is aangetoond dat zo'n vis pijn ervaart. Maar als ik jou een schop geef en jij zegt 'au', is het dan ook niet min op meer duidelijk dat je pijn ervaart, zonder dat daar een ingewikkelde hersenscan bij komt kijken?
Natuurlijk moet je dan niet gaan denken van "alles wat ik zie is juist". Je moet jezelf wel kritisch blijven bevragen of een andere verklaring mogelijk passender is. Maar tegelijkertijd vind ik ook niet dat we al te afwijzend moeten staan tegenover observaties die uiteindelijk best wel duidelijk zijn. Doe je dat wel, dan loop je het risico niks meer zeker te weten, puur zodat je altijd gelijk hebt.
Dank je voor je uitgebreide reactie en de gelaagdheid die je erin legt. Ik waardeer hoe je dit onderwerp serieus en met nuance benadert niet in kant-en-klare antwoorden, maar als iets wat aandacht verdient.
Toch voel ik dat mijn oorspronkelijke vraag nog net iets anders was dan wat nu besproken wordt. En ik bedoel dat helemaal niet verwijtend eerder om aan te geven waar ik zelf op blijf hangen.
Wat me intrigeert is dit:
Je legt terecht de nadruk op gedrag op waarneembare uitingen van leven, van zelfherkenning, empathie, of zelfs rouw. En dat lijkt vaak overtuigend te wijzen op een binnenwereld.
Maar wat als datzelfde gedrag exact gereproduceerd wordt door iets zonder binnenkant?
Stel je hebt twee vissen in een bak.
Eentje is een echte vis. De ander is een robot die zĂł goed geprogrammeerd is dat hij zich precies hetzelfde gedraagt: spartelt bij aanraking, ontwijkt obstakels, toont stressreacties bij bedreiging.
Beide lijken leven te tonen.
Hoe weet je dan welke van de twee echt ervaart en welke alleen âdoet alsofâ?
En belangrijker nog: waar baseer je dat op, als gedrag in beide gevallen identiek is?
Voor mij is dat geen filosofisch spelletje. Ik weet het oprecht niet.
En misschien Ăs het verschil ook helemaal niet te zien van buitenaf.
Precies daar raak ik dat verwarrende punt: dat we zélf weten dat we ervaren voelen, zijn
maar dat we dat bij alles en iedereen buiten onszelf nooit helemaal kunnen weten.
En dat maakt de grens tussen âdoenâ en âzijnâ, tussen gedrag en beleving, zo fundamenteel ongrijpbaar.
Misschien raakt het zelfs aan iets groters:
dat we leven in een werkelijkheid van contrasten, en dat juist in die dualiteit tussen iets en niets, zijn en niet-zijn het bewustzijn zelf ontstaat.
Dat wat we âhet absolute nietsâ noemen, is dan misschien niet gewoon afwezigheid
maar juist het fundament waarin het oneindige, het ervarende, tot leven kan komen.
Ik deel dit niet als kritiek, maar omdat deze vraag me persoonlijk bezighoudt. Niet omdat ik het wil oplossen, maar omdat ik voel dat daar, op dat snijvlak van weten en niet-weten, iets wezenlijks gebeurt.