#1
Ik werd beroemd en verscheen op een bordes. Duizenden mensen stonden op een plein onder mij en riepen mijn naam: "Swchwrm! Swchwrm! Swchwrm!' Ik wist dat thuis mijn oude vader en moeder aan de televisie zaten gekluisterd.
Om mij heen stonden reporters. 'En hoe is het voor Swchwrm om beroemd te zijn?' vroegen ze. ' Nou, dat vind Swchwrm wel fijn.' 'Hij vind het fijn,' zeiden ze in hun microfoons. 'Nu moet ik weer wuiven,' zei ik. 'Excuseer me.' Ik wuifde en keek over de reusachtige massa mensen heen. Ze bleven maar juichen en schreeuwen. En er stroomden nog steeds nieuwe mensen toe.
Maar plotseling tikte er iemand op mijn schouder en fluisterde in mijn oor: 'Vindt u eigenlijk niet dat u een heel raar hoofd hebt? In elk geval veel te raar om beroemd mee te zijn?'
Ik draaide me om. 'Wie bent u?' vroeg ik. Er stond iemand die ik niet kende. 'Zomaar iemand.' zei hij en hij glipte weg. Hij heeft gelijk, dacht ik. Ik zuchtte en knikte. Ik heb een heel raar hoofd. Plotseling besefte ik hoe raar mijn hoofd was. Niemand had zo'n raar hoofd als ik. 'Swchwrm! Swchwrm!' riep de menigte. Ik draaide me weer om. Maar ik durfde mijn gezicht niet meer te vertonen. Ik hield mijn armen ervoor.
Nu begonnen de honderdduizenden te loeien en op hun vingers te fluiten. 'Uw hoofd!' riepen ze. ' We willen ook uw hoofd! We zijn niet voor niets gekomen!' Ze hadden gelijk. Ze waren niet voor niets gekomen. Ze hadden recht op mijn hoofd. Ik was immers beroemd.
Heel langzaam trok ik mijn armen voor mijn gezicht vandaan. Ze begonnen meteen weer te juichen. Ze stonden zeker te ver weg om te zien hoe raar mijn hoofd was.
"Heel raar he?' werd in mijn oor gefluisterd. Het was dezelfde man.
Ik durfde mijn hoofd niet opnieuw te verbergen. Er kwamen tranen in mijn ogen. Plotseling werden de hondduizenden op het plein stil. Ik hoorde de reporters in hun microfoons fluisteren: 'Hij huilt. de grote Swchwrm huilt.' Camera's kwamen vlakbij mijn gezicht. De tranen stroomden over mijn wangen. Mijn rare wangen, dacht ik.
Met open mond keken de mensen naar mij omhoog. Toen ging iedereen naar huis Ik ook. De volgende ochtend werd ik ontvangen dor de koningin. Ik hoopte maar dat ze niet naar de televisie had gekeken of in de krant had gelezen dat ik had gehuild. Ze droeg een rode jurk, die glansde in het zonlicht. We stonden op het gazon achter haar paleis. Ze was niet veranderd sinds ik haar langgeleden op het strand had gezien. Maar ik was wel veranderd. Ze zou me nooit meer kunnen herkennen,.
Ze feliciteerde mij. Ik durfde haar niet goed aan te kijken, keek naar de grond en zei dat ik niet wist hoe haar te bedanken. Ze lachte en zag er heel mooi uit.
Een minister riep haar terzijde. Ik zag dat hij iets in haar oor fluisterde. Ze trok haar wenkbrauwen op en keek naar mij, Ik zag dat ze iets vroeg. De minister knikte en zei opnieuw iets. Toen schudde ze langzaam haar hoofd, bedankte de minister en kwam weer naar me toe. Ze hadden het over mijn hoofd gehad. Ik wist het zeker.
(...) Ik had de hele nacht niet kunnen slapen en had telkens weer mijn hoofd in een spiegel bekeken. Ik deed een raam open stak mijn hoofd naar buiten. 'Daar is hij!' riepen ze. Ik schudde mijn hoofd. 'Het spijt me.' zei ik. " Ik ben niet langer beroemd.'
'O.' zeiden de mensen verbaasd. Dat hadden ze niet verwacht. Ze draaiden zich om en liepen weg. Ze vertelden aan iedereen die er nog aankwam dat ik niet meer beroemd was. 'Hij is volkomen onbekend,' zeiden ze even later al.
(...)
Ik keek in de etalage. Aan elke jas hing een bordje met: 'nieuwe winterjas: gratis'.
Er stond een man in de deuropening. 'Zijn al die jassen voor niets?' vroeg ik.
'Ja,' zei hij. 'Als je er iets voor wilt betalen moet je op tien september komen. Maar dan moet je er wel vlug bij zijn.'
Ik knikte en liep door.
'Wil je een jas?' riep de man mij na.
'Nee.' zei ik.
'Jawel! Jawel! Je wilt wel een jas!' riep hij. 'Jongens!'
Twee jongens schoten naar buiten, sprongen bovenop me, duwden me tegen de grond en trokken mij een jas aan.
'Au!' riep ik. 'Ik wil geen jas!'
'Het is gratis!' zeiden ze dreigend. 'Heb je dat goed begrepen?' Ze stonden op, sloegen hun eigen jas af en gingen de winkel weer in. 'Zo te zien zit hij als gegoten,' zei de man. Hij zwaaide met een pistool. Ik stond op en liep verder. 'Alles moet weg!' hoorde ik hem nog roepen. Hij schoot in de lucht. Mensen holden met bange gezichten in de richting van zijn zaak.
(...)
Ik werd ontboden bij de koningin.
Ik ging naar het paleis. Voor de poort lag een lakei onder de koninklijke limousine. Ik schraapte mijn keel. Hij kwam onder de auto vandaan en veegde zijn handen af aan zijn blauwe livrei.
'Er zit water in de remschijven.' zei hij.
'Ik ben ontboden bij de koningin.' zei ik.
Hij knikte en opende de poort voor mij. Even later betrad ik een grote zaal. De koningin zat op een troon, onder een hoog venster waardoor de zon naar binnen viel. Ze zei iets toen ik naar voren liep, maar ik kon haar niet verstaan. Een lakei was aan het stofzuigen. 'Zet de stofzuiger uit!' gilde ze. 'Ik ben nog niet klaar,' zei hij. 'Ga iets anders doen' zei de koningin. 'Wat?' vroeg hij. 'De ramen,' zei de koningin.
(...)
Mijn grootvader werd ziek. Iedereen zei dat hij niet meer beter kon worden. Ik ging bij hem op bezoek. Het zou misschien wel de laatste keer zijn.
Hij frunnikte met zijn vingers aan het laken. Hij was heel mager geworden.
'Weetje' zei hij. Ik kon hem bijna niet verstaan.
'Er is nog maar een ding dat ik heel graag zou willen' zei hij. Hij draaide zijn gezicht nog iets meer naar mij toe. 'En dat is weten hoe het verder zal gaan met jou.'
'Ja,' zei ik. Ik begreep dat heel goed want ik was daar ook heel benieuwd naar.
Om mij heen stonden reporters. 'En hoe is het voor Swchwrm om beroemd te zijn?' vroegen ze. ' Nou, dat vind Swchwrm wel fijn.' 'Hij vind het fijn,' zeiden ze in hun microfoons. 'Nu moet ik weer wuiven,' zei ik. 'Excuseer me.' Ik wuifde en keek over de reusachtige massa mensen heen. Ze bleven maar juichen en schreeuwen. En er stroomden nog steeds nieuwe mensen toe.
Maar plotseling tikte er iemand op mijn schouder en fluisterde in mijn oor: 'Vindt u eigenlijk niet dat u een heel raar hoofd hebt? In elk geval veel te raar om beroemd mee te zijn?'
Ik draaide me om. 'Wie bent u?' vroeg ik. Er stond iemand die ik niet kende. 'Zomaar iemand.' zei hij en hij glipte weg. Hij heeft gelijk, dacht ik. Ik zuchtte en knikte. Ik heb een heel raar hoofd. Plotseling besefte ik hoe raar mijn hoofd was. Niemand had zo'n raar hoofd als ik. 'Swchwrm! Swchwrm!' riep de menigte. Ik draaide me weer om. Maar ik durfde mijn gezicht niet meer te vertonen. Ik hield mijn armen ervoor.
Nu begonnen de honderdduizenden te loeien en op hun vingers te fluiten. 'Uw hoofd!' riepen ze. ' We willen ook uw hoofd! We zijn niet voor niets gekomen!' Ze hadden gelijk. Ze waren niet voor niets gekomen. Ze hadden recht op mijn hoofd. Ik was immers beroemd.
Heel langzaam trok ik mijn armen voor mijn gezicht vandaan. Ze begonnen meteen weer te juichen. Ze stonden zeker te ver weg om te zien hoe raar mijn hoofd was.
"Heel raar he?' werd in mijn oor gefluisterd. Het was dezelfde man.
Ik durfde mijn hoofd niet opnieuw te verbergen. Er kwamen tranen in mijn ogen. Plotseling werden de hondduizenden op het plein stil. Ik hoorde de reporters in hun microfoons fluisteren: 'Hij huilt. de grote Swchwrm huilt.' Camera's kwamen vlakbij mijn gezicht. De tranen stroomden over mijn wangen. Mijn rare wangen, dacht ik.
Met open mond keken de mensen naar mij omhoog. Toen ging iedereen naar huis Ik ook. De volgende ochtend werd ik ontvangen dor de koningin. Ik hoopte maar dat ze niet naar de televisie had gekeken of in de krant had gelezen dat ik had gehuild. Ze droeg een rode jurk, die glansde in het zonlicht. We stonden op het gazon achter haar paleis. Ze was niet veranderd sinds ik haar langgeleden op het strand had gezien. Maar ik was wel veranderd. Ze zou me nooit meer kunnen herkennen,.
Ze feliciteerde mij. Ik durfde haar niet goed aan te kijken, keek naar de grond en zei dat ik niet wist hoe haar te bedanken. Ze lachte en zag er heel mooi uit.
Een minister riep haar terzijde. Ik zag dat hij iets in haar oor fluisterde. Ze trok haar wenkbrauwen op en keek naar mij, Ik zag dat ze iets vroeg. De minister knikte en zei opnieuw iets. Toen schudde ze langzaam haar hoofd, bedankte de minister en kwam weer naar me toe. Ze hadden het over mijn hoofd gehad. Ik wist het zeker.
(...) Ik had de hele nacht niet kunnen slapen en had telkens weer mijn hoofd in een spiegel bekeken. Ik deed een raam open stak mijn hoofd naar buiten. 'Daar is hij!' riepen ze. Ik schudde mijn hoofd. 'Het spijt me.' zei ik. " Ik ben niet langer beroemd.'
'O.' zeiden de mensen verbaasd. Dat hadden ze niet verwacht. Ze draaiden zich om en liepen weg. Ze vertelden aan iedereen die er nog aankwam dat ik niet meer beroemd was. 'Hij is volkomen onbekend,' zeiden ze even later al.
(...)
Ik keek in de etalage. Aan elke jas hing een bordje met: 'nieuwe winterjas: gratis'.
Er stond een man in de deuropening. 'Zijn al die jassen voor niets?' vroeg ik.
'Ja,' zei hij. 'Als je er iets voor wilt betalen moet je op tien september komen. Maar dan moet je er wel vlug bij zijn.'
Ik knikte en liep door.
'Wil je een jas?' riep de man mij na.
'Nee.' zei ik.
'Jawel! Jawel! Je wilt wel een jas!' riep hij. 'Jongens!'
Twee jongens schoten naar buiten, sprongen bovenop me, duwden me tegen de grond en trokken mij een jas aan.
'Au!' riep ik. 'Ik wil geen jas!'
'Het is gratis!' zeiden ze dreigend. 'Heb je dat goed begrepen?' Ze stonden op, sloegen hun eigen jas af en gingen de winkel weer in. 'Zo te zien zit hij als gegoten,' zei de man. Hij zwaaide met een pistool. Ik stond op en liep verder. 'Alles moet weg!' hoorde ik hem nog roepen. Hij schoot in de lucht. Mensen holden met bange gezichten in de richting van zijn zaak.
(...)
Ik werd ontboden bij de koningin.
Ik ging naar het paleis. Voor de poort lag een lakei onder de koninklijke limousine. Ik schraapte mijn keel. Hij kwam onder de auto vandaan en veegde zijn handen af aan zijn blauwe livrei.
'Er zit water in de remschijven.' zei hij.
'Ik ben ontboden bij de koningin.' zei ik.
Hij knikte en opende de poort voor mij. Even later betrad ik een grote zaal. De koningin zat op een troon, onder een hoog venster waardoor de zon naar binnen viel. Ze zei iets toen ik naar voren liep, maar ik kon haar niet verstaan. Een lakei was aan het stofzuigen. 'Zet de stofzuiger uit!' gilde ze. 'Ik ben nog niet klaar,' zei hij. 'Ga iets anders doen' zei de koningin. 'Wat?' vroeg hij. 'De ramen,' zei de koningin.
(...)
Mijn grootvader werd ziek. Iedereen zei dat hij niet meer beter kon worden. Ik ging bij hem op bezoek. Het zou misschien wel de laatste keer zijn.
Hij frunnikte met zijn vingers aan het laken. Hij was heel mager geworden.
'Weetje' zei hij. Ik kon hem bijna niet verstaan.
'Er is nog maar een ding dat ik heel graag zou willen' zei hij. Hij draaide zijn gezicht nog iets meer naar mij toe. 'En dat is weten hoe het verder zal gaan met jou.'
'Ja,' zei ik. Ik begreep dat heel goed want ik was daar ook heel benieuwd naar.