Re: Ayahuasca report : andere werelden
Hieronder mijn laatste report dat ik tussen mn bestanden had zitten. Dit report is van 7 maart 2010. Voor mijzelf ook wel interessant om terug te lezen hoe anders het is dan het eerste report. Waar daar de bizarre en onplaatsbare beelden veel meer overheersen, is er in dit report veel meer ontspanning en een veel passendere beeldenwereld ontstaan die voor mij beter uitdrukt wat ik meemaak.
Aanvang
Ik ben een beetje nerveus. In mijn buik zit wat spanning, tegelijkertijd voel ik vertrouwen: ik weet dat ik in goede handen ben bij de Santo Daime. Ik voel de smaak van de Daime van te voren al door mijn lijf gaan, nog voordat ik een slok gedronken heb. Zo bitter, zo bitter. De rllingen lopen al over mijn rug bij de gedachte aan de smaak alleen al. Ik voel hem al in mijn mond, nog voordat ik hem heb gedronken. Na wat inleidend gebed beginnen we snel aan de Daime. Oh, zo bitter, zo sterk. Het lijkt alsof de smaak elke keer dat ik hem drink intenser wordt. Ik probeer de smaak tot me te laten doordringen, te proeven zonder af te wijzen. Bitter... Ik ril... Neem dan toch een slokje water, nadat ik dat zolang mogelijk heb uitgesteld. Alsof de smaak te proeven een voorbode is van wat de Daime zal gaan vertellen.
De Daime ligt er zwaar op mijn maag deze keer. Ik voel mijn buik. Ik probeer het toe te laten. Misschien moet ik overgeven, als dat nodig is, is dat nodig. Die overgave is al heel wat, voor mij, wat betreft overgeven dan. Ik richt me op het zingen, ga op in de zang. Dan , langzaam, beginnen de beelden te komen, de visioenen. Langzaam bouwt zich de wereld op, de andere realiteit, die begint te openen. Het is niet eens zozeer een andere realiteit; het is eerder deze realiteit, maar op een andere frequentie. Ik voel hoe de zaal zich verbindt in de energie. Het wordt langzaam meer een geheel. Ik zing door, geniet van het zingen. De zang trilt in mijn lijf.
De wezens en De Ruimte
Dan voel ik de wezens komen. Engelen, intelligenties, aliens... Ik weet niet hoe ze te noemen. Ze zeggen: engelen is een goede naam. Ik voel de Daime door mijn lijf stromen; mijn lijf heeft de Daime geaccepteerd. Het stroomt, het zware komt van mijn maag af. Dan voel ik: we gaan. De kerk heeft voldoende energie opgebouwd: we kunnen. Dan wordt de consecration of the space voorgelezen. (zie bijvoorbeeld
http://ayahuasca.tribe.net/thread/ebea1967-8920-4edb-8dbc-f0a292da5618 voor de tekst van de consecration of the space) Ik sluit mijn ogen, probeer de woorden zo volledig mogelijk toe te laten. Intens.... Mijn aandacht dwaalt af van de woorden... Ik ga de ruimte binnen... Het is een soort binnentreden in een andere realiteit. Of beter: in een andere frequentie van deze realiteit. Alsof je de stekker uit de realiteitsmachine trekt, en het “beeld” ineens uitvalt; ik duik dieper in de stemming in mijn maag. Het is verdriet; Ik worstel om het toe te laten; dan begrijp ik: met deze emotie kan ik de ruimte niet betreden. Ik heb echter toestemming om het los te laten: want alles is goed. Ik mag me overgeven aan het licht, aan het weten dat alles goed is. Juist in die overgave ligt de oplossing voor mijn verdriet. Ik hoef het verdriet niet “uit te werken”: ik kan gewoon de ruimte ingaan, en me overgeven aan het licht.
Alles is een
Ik zie hoe alles samenhangt. Alles is een. Alles hangt samen. Een diepe ordening. Waar alles een plek heeft. Wij denken zo vaak dat het universum gescheiden is, niet een. Dat we in een proces naar heelheid toe werken; dat is echter niet zo. Alles is al een. Alles past in de samenhang. Ook de pijn, het verdriet. Het is juist de illusie dat er geen samenhang is, die het verdriet en de pijn veroorzaakt. Ik ga dieper de ruimte in. Er zijn hier verschillende kamers, verschillende vertrekken. Ik voel hoe de engelen rondlopen, werken. Er wordt geheeld. Mensen geven over, huilen; ondertussen draagt de zang ons door het ritueel heen.
Ik zie een fel licht. Vreugdevol. Het is het licht in het centrum van het heelal. Grootst, stralend. Ik zie dat het een gezicht kan hebben: Christus. Maar het licht is veel ruimer dan dat beeld. Het licht straalt, vlamt, jubelt. Het is een soort weten: alles is licht. Alles is goed. Alles mag er zijn.
Lijden
Ik zie meer lijden. Concentratiekampen, hakenkruizen, moorden. Ik besef me: ook dit hangt samen. Ook dit hoort erbij. Ik realiseer me dat het lijden ook hier in de zaal is. De demonen, de slangen, komen ook binnen. Het pijn, het lijden. Ik zie een moord. Een archetypische moord. De mens die een ander mens vermoord. Het bloed aan zijn handen. Ook dit is onderdeel van de cosmos. Van het grote geheel. Het is een deel dat zich verduisterd heeft. Het zwart , het donker, laat ik toe. Ik zie de moord; heel erg as-it-is, matter-of-fact. De moord. Het bloed. Het verdriet. En door het te zien, door het licht toe te laten, door het licht te schijnen, wordt het geheeld. Het donker in de zaal wordt getransformeerd. De deelnemers nemen hun duister mee: met elkaar helen we het duister, de pijn, door het licht toe te laten.
Ik zie de pijn van F.B. Ik zie hem lijden. Ik hoor dat het goed als ik in mijn licht naar hem toe kan gaan. Eenvoudig weg om te delen dat ik zijn lijden zie. Mijn werk is een mooie plek; echter, ook met veel lijden. Ik probeer te zingen, uit het boekje. Ik merk hoe ik, door te zingen, mee vibreer op de intentie van het ritueel. Hoe ik mijn energie toewend voor heling. Mijn vriend R die naast me zit begint te grappen; het is lastig de tekst te volgen. Maar wanneer ik geconcentreerd ben, mijn voeten op de grond voel, geaard bent, ben ik ineens weer in-tune met het lied en kan ik de tekst volgen. Het vraagt echter enorm veel concentratie. Ik zeg tegen R: door te zingen, helen we de mensen. Onze vibratie raakt de mensen die daar op de grond liggen, hun diepste trauma’s verwerken.
Op een bepaald punt wordt gezongen over “the line of tuncum” die komt om alle “liars” tot gerechtigheid te brengen. Ik zie hoe er een of twee mensen enorm beginnen over te geven. Ik denk: zij hebben iets met die leugens. Zij worden nu door “the line of tuncum”, wat dat ook precies mag zijn, met hun leugens geconfronteerd.
Tweede keer Daime
De tweede keer drinken. Ik wil niet. Ik ga niet drinken. Ik weet: dit wordt meer dan ik kan dragen. Ik kan niet nog een keer drinken. Dat is too much. Ik zal eraan bezwijken. Het zal een overload zijn. Het zou overmoedig zijn. Ik drink maar een keer vanavond. Mijn ogen gaan open, ik kijk rond. Ik besef me hoe het ritueel wordt gedragen door de aanwezigen. Hoe er leiding is in het ritueel van de ouderlingen. Ik besef me, hoe het er juist om gaat dat ik het niet hoef te dragen. Ik mag de anderen voor laten gaan; alles heeft zijn plek. Zijn tijd. Zijn moment. Ik voel me ineens wakker worden. Ik ben nu uit de engelenwereld. Ik voel hoe de engelen het goed, fijn vinden als ik mee werk. Zo van: je bent welkom. Ik heb mijn plek in het werk, daar. Dan begrijp ik: ik mag drinken, maar het zal meer zijn dan ik zelf kan dragen. Ik heb echter toestemming om mee te gaan, de ruimte te betreden, om mee te kijken hoe het geavanceerdere, diepere werk zal gaan.
Dan ga ik naar voren, het voelt nu goed. Ik krijg het glaasje met Daime. Ik zet een stap terug. Ik ga het niet impulsief drinken, maar met aandacht. Hoe wil ik dat deze slok zal zijn? Ik bid om grond, om voeten, om aarde. Ik concentreer me op mijn voeten. Mijn contact met de grond. Met de intentie gevoed te worden in het contact met de grond drink ik. Het is bitter, maar heeft een zoete ondertoon. Als honing. Bitterzoet. Ik denk: de pijn, het bitter, maar ook de liefde die de pijn verzacht. Ik zet mijn glaasje terug, maar wordt teruggehaald: de laatste druppel. Ik denk: symbolisch: het laatste is het bitterst. Tot op de laatste druppel de beker leegdrinken.
De smaak is bitter. Ik ril, mijn lijf schokt. Bijna alsof ik moet huilen. Whhhuuuhuhhhuhuhuh. Een rilling. Nog een rilling. Ooh bitter. Ik probeer de smaak toe te laten. Voel hoe de smaak zijn werk doet. Dan roken we Santa Maria. Het geeft een zoete smaak over het bitter. Het verzacht de pijn.
Familielijnen
Ik voel het verdriet van mijn zus. Ik zie haar huilen, haar pijn. Ik begrijp dat zij veel verdriet draagt van de jongeren waar ze mee werkt, en dat ze die niet over kan dragen. Hoe ze mij nodig heeft om te helpen het te dragen. Ik zie de lijn van F (mijn exvrouw) hoe er een duisternis in haar familielijn zit. Een donkerte, een afgescheidenheid. Donker, boosaardig. Tegelijkertijd veel kracht. Power. Echter, weinig licht. Ik zie hoe F dat meedraagt. Ik hoef daar niks mee. Dat is F’s bloedlijn. F’s karma. Ik ziet echter hoe M (onze jongste dochter) heeft besloten om dat Karma op zich te nemen, gemengd met mijn lichtheid. Zij heeft besloten die twee bloedlijnen te integreren. Enerzijds de power, anderzijds de lichtheid.. Ik zie hoe ik haar kan helpen dat te integreren. Of, vooral, ik zie dat het zo is. Het te zien zoals het is zal mij de kracht geven haar te helpen. Ik kan M helpen door het gedicht dat we bij haar geboorte hebben gemaakt voor te lezen. Dat zal haar goed doen, haar te herinneren aan de boodschap van licht en warmte die we hebben meegegeven in het gedicht.
Ik zie hoe in mijn schouder beelden zitten van boosheid. De boosheid met F: zo woedend. Hoe die woede wortelt in onze karmische botsing. M heeft die strijd in zich opgenomen. Onze ruzie is tot haar doorgedrongen. Dat heeft niet eens te maken met dat ze die ruzie’s letterlijk gehoord zou hebben (hoewel dat waarschijnlijk wel zo is). Het heeft veel meer te maken met dat die informatie wordt uitgestraald, zoals iedereen informatie overdraagt aan de ander, waarbij als het ware het gehele hologram van de biografie in een keer wordt overgedragen.
Ik zie hoe L (mijn middelste dochter) veel meer van mijn lijn is; de lichtheid, het onwereldse. Ze wordt bijna 7. Het is belangrijk die verjaardag goed te vieren. De engelen leggen uit: ga de 22ste bij het ritueel van L’s verjaardag aanwezig zijn. Draag het gedicht van haar geboorte voor in de klas. Neem M op schoot: M zal meegenieten van hoe je dat doet., ernaar verlangen dat je het ook voor haar zal doen. Op haar verjaardag, in de winter, zal de energie lastiger zijn; meer kracht vragen. Dan komt F’s duisternis meer in het geding. Dan lees je het gedicht van M in december (haar verjaardag) ook voor.
Santa Maria
In de zaal verschijnt een licht. Een liefdevolle aanwezigheid. Vrouwelijk. Ik zie Maria voor me. Het is moeilijk om waar te nemen wat er precies gebeurd. Het is zo overweldigend, zo grootst, dat het nauwelijks te bevatten is. Ik zie het beeld van de Maria zoals mijn oma die had: een halve maan, daarop de slang, en Maria die haar voet op de slang heeft en daar hoog bovenuit toornt.
Ik besef dat het een beeld is: het beeld verduisterd juist de volle ervaring, de volle waarneming. Het beeld is meer bedoeld om een soort besef te hebben van wat ik waarneem; om een soort herinnering te kunnen hebben aan wat ik zie. Ik begrijp echter heel goed, dat wat ik zie op geen enkele manier op het beeld lijkt. Het is zo ongeveer de verhouding die het woord “aap” tot een werkelijke aap heeft: het woord bestaat uit drie letters. De werkelijke aap is duizenden malen complexer dan het woordbeeld zelf. Het woordbeeld helpt echter met communiceren; zolang het duidelijk is dat het een beeld is, is het goed.
Maria is zo liefdevol aanwezig; ze neemt alle leed tot zich. In de zaal zijn mensen aan het huilen. Gesnik, verdriet. Mijn neus loopt; het water stroomt eruit. Ik zing mee; het kost me moeite om te zingen, om te lezen. Maar ik kan mee zingen. Maria neemt alle verdriet tot zich. Ik voel hoe het verdriet in mijn buik naar haar toe mag stromen. Hoe zij mijn verdriet en het verdriet van de wereld tot zich neemt. Ze troost, koestert. De tranen van maria. Het is heel zacht, heel vochtig, vrouwelijk. Yin. En ze kan het dragen; ze is zo grootst, zo sterk; ze is er gewoon. Ze blijft gewoon aanwezig in het verdriet, en heelt het zo.
Het zingen neemt de overhand. Ik luister. Zo mooi, hoe de oudste mensen van de Santo Daime doorzingen. Zij dragen het ritueel nu. Zij kunnen doorzingen. Het zijn nog maar 5, 6 mensen lijkt wel die zingen. Zo mooi hoe hun gezang samenhangt. Zo mooi.
Afscheid
Dan is er het stuk van afscheid nemen. Het is steeds datzelfde lied dat zo van afscheid spreekt. Ik herken het lied: het is echt een uitzwaai lied. De energie begint af te nemen, ik ga langzaam terug. Ik mag nog even blijven: enerzijds beangstigd het me om zo diep in die andere realiteit te zitten. Of, beter, ik voel een stem die zich afvraagt: ik zit nu wel heel diep in die andere wereld. Tegelijkertijd voel ik het vertrouwen: ik kom terug. Het is mijn werk om zo diep in deze realiteit te gaan. Ik breng het licht, de heling, terug in mijn dagelijkse werk.
Ik begrijp heel diep wat er gebeurt als we praten. Hoe lastig het is om af te stemmen. Alles is al aanwezig. Niks hoeft gezegd of uitgelegd te worden. In het contact, in het samenzijn, ontstaat vanzelf de taal. Ontstaat vanzelf het woord. Ik kan spreken zoveel ik wil over het Daimeritueel; echter, in afstemming. Ik zie hoe ik soms praat vanuit mijn herinnering. Dan heeft de ander niet de energie om mij te volgen. Wanneer de ander aandachtig is, kan ik ook vertellen. Dan groeien de woorden als vanzelf uit het contact.
Ik besef ook het belang van woorden geven. Woorden kunnen helen. Dit is een ritueel dat ik zal kunnen en mogen navertellen, vanwege het effect dat het geven van woorden heeft.
Ik besef me hoe fantastisch het is om een lijf te hebben. Mijn DNA wordt de hele dag door gelezen. Er stroomt informatie uit mijn DNA, om mijn lijf draaiende te houden; de processen passen zich voortdurend levend en intelligent aan. Enorme informatiestromen. Ik ben onder de indruk.