#1
Verslaving wordt vaak zwart-wit gepresenteerd: je bent het, of je bent het niet. Maar in werkelijkheid is verslaving een glijdende schaal. Je kunt een beetje verslaafd zijn of heel erg.
Professionals spreken trouwens niet van verslaving, maar van 'een stoornis met middelengebruik'. Of er sprake is van een stoornis wordt gemeten aan de hand van een aantal criteria:
-meer gebruiken dan diegene van plan was (controleverlies)
-blijven gebruiken ondanks gezondheidsproblemen die ontstaan
-moeite met het onderhouden van relaties
-financiële problemen
-problemen op het werk
Meestal ontstaat een verslaving geleidelijk. Mensen gebruiken eerst een tijd met relatief weinig problemen. Maar op een gegeven moment onstaan er steeds meer problemen rondom het middelengebruik. Iemand komt zijn/haar afspraken niet meer na, steeds meer geld gaat op aan gebruiken en er zijn steeds vaker momenten dat iemand zich niet meer goed kan concentreren op werk, of misschien zelf helemaal niet meer komt opdagen.
Het moment dat mensen zelf inzien dat ze verslaafd zijn is vaak pas redelijk laat in het proces, als ze 'rock bottom' hebben bereikt. Ze zijn bijvoorbeeld (in korte tijd) hun geliefde, werk en huis kwijtgeraakt.
Voor die tijd worden de problemen vaak gerationaliseerd, zeg maar goedgepraat, van een reden voorzien. Daarom vragen behandelaars vaak aan mensen 'heeft een vriend(in) of familielid wel eens zijn/haar zorgen geuit over je gebruik?'
Want dat kan namelijk een belangrijk voorteken zijn dat het gebruik uit de hand aan het lopen is (maar dat die persoon het nog niet wil erkennen).
Ik vind dit wel echt een hele goede post waar ik me bij aan wil sluiten. Het is idd niet zo zwart wit en een glijdende schaal. Zelf vind ik de DSM-5 criteria die gelden voor de "stoornis in middelengebruik" ook wel erg helder:
DSM-5* spreekt van een stoornis in het middelengebruik als er sprake is van een combinatie van twee of meer kenmerken die leiden tot verminderd functioneren op meerdere belangrijke levensgebieden:
Voor het vaststellen van de ernst van de stoornis in het gebruik van middelen wordt de volgende indeling gehanteerd in DSM-5*:
- Vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was
- Meerdere mislukte pogingen gedaan om te minderen of te stoppen
- Veel tijd nodig hebben voor het gebruik en herstel
- Sterk verlangen voelen om te gebruiken
- Door gebruik tekortschieten op werk, tijdens studie of thuis
- Blijven gebruiken ondanks dat het problemen meebrengt op het relationele vlak
- Hobby’s, sociale activiteiten of werk opgeven door gebruik
- Voortdurend gebruiken, zelfs als iemand daardoor in gevaar komt
- Voortdurend gebruiken, ondanks dat iemand weet dat het gebruik lichamelijke of psychische problemen met zich meebrengt of verergert
- Grotere hoeveelheden nodig hebben om het effect nog te voelen (tolerantie)
- Onthoudingsverschijnselen ervaren, die minder hevig worden door meer te gebruiken
- 2 of 3 criteria > milde stoornis
- 4 of 5 criteria > gematigde stoornis
- 6 of meer criteria > ernstige stoornis