Dit weekend heb ik wel weer iets tripreportwaardigs meegemaakt, al weet ik niet of ik het een beetje afdoende kan beschrijven. Het was allemaal erg bizar. De zaterdagavond begon met een aantal biertjes, waarna ik om 22:00 een pilletje met 20 mg 4-HO-MET innam. Ik heb dit één keer eerder gebruikt (tripreport
hier). De eerste keer nam ik thuis 40 mg. Dit keer de helft daarvan, aangezien ik deze avond met een paar vrienden zou gaan stappen. Na 10 minuten begon ik al wat te merken, en na 20 minuten begonnen geluiden enorm te vervormen. Gesprekken kon ik nauwelijks meer volgen, ik leek hypersensitief voor geluid, of mijn brein kon het niet meer uitfilteren, ik hoorde in een kakafonie alle gesprekken in de kroeg door elkaar heen vloeien inclusief alle geluiden van glazen die werden neergezet, stoelen die schoven, deuren die open en dichtvielen. De gezichten van mijn vrienden vervormden, kregen puntoortjes, werden rood met groen en heel smal. Mijn eerste ervaring met een dubbele dosis 4-HO-MET was erg leuk maar minder heftig dan dit keer. Opmerkelijk, en een beetje onbedoeld ook. Visueel was het erg sterk, alles vervormde.
De bedoeling was om vervolgens 6-APB te gebruiken en naar een feestje te gaan. Ik was echter te ver heen om dat nog te begrijpen, dus de hele nacht is de 6-APB in mijn broekzak blijven zitten. Van mijn vrienden zat er één aan de XTC, één aan de 6-APB en de derde was compleet nuchter. Mijn idee was om later die nacht nog 6-APB bij te nemen zodra ik weer iets helderder in mijn hoofd was, maar zodra ik rond 2:30 eindelijk helder genoeg was om op zoek te gaan naar het spul, kon ik het niet meer vinden. Ik besloot er vrede mee te hebben en te genieten van hetgeen de trip mij nog meer te bieden had, al maakte ik me zorgen of ik het nog vol kon houden om nog eens 2 en half uur hard te dansen. Maar een paar cola-wodka's deden wonderen en de voetjes gingen prima van de vloer.
Een lange treinreis naar huis. Saai.
Rond 9 uur 's ochtends met één vriend thuis aangekomen. Even rustig gezeten. De vriend wilde rond 10 uur gaan slapen. Ik kon het niet laten om de 2-FDCK - die ik recentelijk had gekocht - uit te proberen. Ketamine stond al heel lang op mijn to do-list, en nu ik het eenmaal in huis had werd de nieuwsgierigheid te groot en leek het mij een goed idee, om nog in het na-effect van de 4-HO-MET mijn eerste ketamine-ervaring te beleven, zij het dan wel met fluorketamine, maar dat effect zou weinig moeten verschillen.
Zakje erbij gepakt, weegschaaltje erbij. 150 mg afgewogen en een lijntje gelegd. Man man man, wat is dat onprettig in de neus. Geen zachtzinnig spul.
Ik ging op bed liggen. Na een minuut of tien begon ik wat te merken, maar het was erg mild. Ik legde een nieuw lijntje. 160 mg. Na 5 minuten merkte ik wat meer, maar mijn geduld was vrij minimaal en ik besloot voor een derde en laatste lijntje te gaan. 170 mg. Bij elkaar dus 480 mg. Ja, ik weet het... Eerst keer keta, dat mag een goeie zijn.
Na het derde lijntje ging ik weer op bed liggen. Het was rond half 11 's ochtends. Een vriend lag naast mij op bed te slapen. Ik kwam heel veel mensen tegen. Ze zeiden van alles tegen me, maar meestentijds verstond ik er weinig van. Velen hadden heel excentrieke gezichten welke ook vervormden naargelang ze tegen me praatten. Ik liep, ik vloog, ik zweefde. Van hot naar her, geen idee waar ik precies was. Was dit een hoolhof? Moest ik de uitgang vinden? Mensen lachten me toe. Of uit. Weet ik het. Ik bekeek alles aandachtig. Het was een wereld voor kleur, vol beweging, vol vreemde objecten en vol mensen die ik al of niet kende. Vol gangen waar ik doorheen liep. Moest ik ergens heen? Wat moest ik hier doen?
Wat een chaos. Alles bewoog en ik moest ontwijken wanneer iets op me afkwam. Een driedimensonaal, holografisch doolhof - niets was wat het leek - ontweek ik een groot object dat aan een touw aan het plafond hing dan viel ik in een gat in de vloer en kwam ik weer elders terecht waar vreemde wezens iets van mij wilden. Ik zat in een draaimolen. Vastigheid was nergens te vinden. Waar moest ik me aan vasthouden? Alles bewoog, de vloer, de muren, en alles had de mooiste kleuren. Muziek herinner ik me niet, geluiden waren er wellicht wel of wellicht niet. Moest ik tegen wezentjes vechten? Of met ze samenwerken? Was dit een feestje? Waar was ik? Tijd ging voorbij, en de wanorde bleef onvergeeflijk door mij van de ene naar de andere ruimte te gooien, via glijbanen, touwen, trappen, lange smalle gangen en geheime in- en uitgangen. Na een onbepaalde tijd begon ik me te bedenken waar ik precies was, en dat ik maar eens orde moest gaan scheppen in de chaos. Misschien was ik thuis, en kon ik maar beter een beetje opruimen. Wat een bende.
Een aantal schapen liet ik via een opengeklapte putdeksel naar buiten lopen om wat ruimte krijgen. Een aantal mensen met vreemde hoofden verzocht ik te vertrekken, wat morrend gebeurde. Maar hoe meer spullen ik probeerde te verplaatsen, hoe meer spullen ik tegenkwam en des te groter de chaos. Net mijn echte leven. Denk ik ergens doorheen te kunnen lopen, dan schuift er een massief betonnen blok voor de ingang. Andere route vinden. Pas op, er vallen dingen naar beneden. En pas op voor de klauwtjes aan de muren, die proberen me te grijpen. Het waren smalle gangen, alsof ik door een waterglijbaan ging. Deuren openmaken, mensen ontwijken, spullen verplaatsen om erdoor te kunnen, oppassen, alles kantelt a lá Villa Volta. Alles stond ondersteboven. Spullen die aan het plafond hingen vielen om en lagen op de vloer, naast mij.
Verder. Welke route nu? Is alles in spiegelbeeld nu alles onderstebovengekeerd is? Ik kan het niet bedenken. Hoe kom ik uit deze escape room? En zodra ik hier uit kom, waar kom ik dan terecht? Wat komt er überhaupt van mij terecht? Ik ben zelf een choas, mijn hele leven is aan choas, en deze rare keta-wereld is een representatieve uitvergroting van mijn dagelijks leven. Puinhoop is een veelkoppig monster: hak je één kop af, komen er meerdere voor terug. Ik word van hot naar her geslingerd en ik weet niet ik waar ik nu uiteindelijk heen moet. Zal ik het aan deze oude man met de enorme bochel vragen? Of die vrouw met de heksenoren? Het harig monster dat haar vergezelt zal vast mijn taal niet spreken, dus hem hoef ik het niet te vragen. Waarom word ik niet gewoon met rust gelaten? Wat wil die eenhoorn van mij? Ik neem wel de lift. Nog voordat de lift op de bedoelde verdieping aankomt verwordt de lift zelf tot een nieuw vertrek waar ik mezelf weer probeer doorheen te worstelen. Het schommelschip dendert heen en weer. Pas op, wat onder is is boven en andersom en gelijk alzo geschiedt constant. Blokken komen uit de vloer omhoog en ontwijk ik met flair. Een stoel die in de weg staat raap ik op en smijt ik weg. Ik bied mijn excuses aan aan het draakachtig wezen op wiens ooglid ik de stoel gesmeten heb en vervolg mijn weg via de magenetrondeur via welke ik in een ademend vertrek kom waar de condens van de muren druipt, slierten van het plafond naar beneden hangen en onbeduidelijke wezentjes te dienst uitmaken. De atmosfeer is zwaar, de dikke lucht is moeilijk te doorkruisen, ik laat sporen na, en het kost al mijn kracht. De sfeer in elk vertrek is anders, en overal wordt er op mij gewacht en word ik verwachtingsvol aangekeken.
Neemt iemand mij nog wel eens een beetje serieus? Kan iemand mij eens even iets uitleggen? Waarom staan er niet gewoon pijltjes die ik kan volgen? Ik word opgegeten door een enorm wezen en in diens maag begint alles van voor af aan. Ik slinger aan een touw om aan de overkant van een rode kolkende massa te komen. Ik geef een bosje bloemen aan een vreemd vrouwmens in ruil voor toegang tot weer een nieuwe dimensie en ik word overdonderd door de immensheid van dit spookkasteel. Hoeveel ruimtes zijn hier wel niet? Ga ik niet in rondjes? Ik spring op een trampoline om de te hoge deur te bereiken, ik teken met wolkjes in de lucht en streel een bloem van de plant die naast me staat. Breekt daar de zon door? Voel ik de paarse zonnestralen op mijn armen, het gekwetter van de blauwe vogels op de achtergrond?
Bam. Een enorm blok raakt me. Opletten, lul! Snel, de schapen komen! Klim in de gordijnen. Nee, dat zijn geen gordijnen maar de haren van een harig dier dat staat te dansen omdat hij dat nu eenmaal doet. Een plant helpt me door een stengel naar me uit te steken en laat me in wederom een andere ruimte mezelf vertwijfeld afvragen of ik nu in wanhoop moet uitbarsten of mezelf moet verwonderen over de immense schoonheid van dit geheel. Ik schreeuw en een spin krabbelt op me toe om niets tegen me te zeggen, en via zijn draad vind ik de weg naar een put waarin ik val en via welke ik met een noodvaart door dierentuinen, pretparken, fractals en landschappen val, maar op zoek naar houvast lukt het me niet om me aan de vioolmuziek vast te houden en alzo beland ik onvermijdelijk met een enorme smak op een grasveld waar roze wolkjes mij omgeven en wormen mij vragen waarom ik hier in godsnaam met zo'n snelheid aan moet komen?
Ik neem een glas water aan van de blauwe neushoorn en ik begrijp dat ik wel erg ver ben gegaan. Teringtripper dat ik ben. Kan het nu echt nooit eens normaal? Waarom moet het nu altijd zo extreem? Pas nadat ik de duivelse eekhoorntjes heb verslagen begrijp ik dat ik dik aan de ketamine heb gezeten waardoor ik deze wereld beleef. En och, als ik even deze piemschuimen blokken in het kolkende water gooi zodat ik eroverheen de overkant kan bereiken, dan kan ik dansend de laatste etappes afleggen met hindernisbanen waar rozen mij dreigen te doden en kerkklokken het einde van mijn reis inluiden. Ik ren over het grasveld waar even daarvoor nog vogels zwommen, en via een pianotoetsenbord geflankeerd door massieve marmeren beelden die ritmisch bewegen op mijn eigen ademhaling kom ik in een rondkolkende massa die ik herken als mijn eigen huis, en ik vind het leuk om daar zoveel mensen te herkennen die ik al lang niet meer gezien had.
Ik moet kotsen, pak een wolk en kots daarin zeven kleuren klatergoud tot het begint te regenen van genot. Ik leg de natte spons op mijn schoot en neem plaats op de schietstoel die mij linea reacta het ons bekende zonnestelsel uit bonjourt en langs talloze kleurrijke planeten laat reizen op weg naar dat ene doel: het onbekende. Zwart is de leegte die mij omringt wanneer ik in opperste staat van geluk mij realiseer dat ik het overleefd heb en ik alleen nog maar een klein leger van elfen hoef te verslaan alvorens ik in de diamanten torentjes van het leven mag plaatsnemen die ik welverdiend heb na het correct oplossen van de legpuzzel.
Een fiets. Niet zo veel nadenken. Twee vierkante vissen, welke vertelt de waarheid? Ik ga even liggen. Niet te lang, luide donder! Opstaan, een beetje pit erin. In vuur en vlam, de fik erin, BAM en KEDENG en daar gaan we weer. Houdt dat dan nooit op? Nee, wat denk je nu? Nee, we gaan ervoor. Stoppen is geen optie. Gehoorzamen. Nee, dat doe ik niet. Mijn eigen plan. Al is dat moeilijker. Ik kies de gele deur al weet ik dat daarachter een wereld schuilt die ik weliswaar al kende maar net even iets anders is dan ik gewend ben. Via een enorm draaiend tandwiel hijs ik mezelf naar boven en vol goede moed en energie in mijn donder begin ik aan de laatste fasen van mijn reis richting onvergetelijkheid.
Ik ontwijk de kevers die op mij worden afgevuurd en vraag me af of het stom is om ze niet op te vangen. Is het verspilling? Achter me een veld vol dode kevers die allemaal het beste met mij voorhadden en mijn medelijden met hen helpt niet hun zinloos heengaan te compenseren. Oneindig is mijn dankbaarheid voor al wat geschied is en vluchtig bleek. Flinterdun is mijn leven en een ijselijk mooie stem zingt mij zonder woorden toe hoe waardevol en wonderschoon het leven is totdat ik een zilveren schaal aanpak welke ik volkots tot ik het gevoel heb dat ik alles eruitgegooid heb dat mij ooit ook maar heeft dwars gezeten.
De beugels klikken zich vast en de rit gaat verder op hobbelig terrein met schokkerige bochten die me laten zien hoe lastig het soms kan zijn om mezelf te zijn. De kleuren zijn mooi, maar mensen die ik tegenkom praten onheilspellende prietpraat en worden uiteengereten terwijl ik hun boodschap in de wind sla. Dan maar niet, is de boodschap, en een open gat in vloer in welke ik wederom val. Zoek het uit, zoek de zeven zonden. Hebzucht, woede. Lui ben ik niet, om de donder niet. En daar gaan we weer. Op het bootje en hup overzee. De wijdse zee op en kies maar waarheen je wilt.
Ik zoom in en een zandkorrel blijkt de hele wereld te zijn en ik zie niet in hoe ik vat kan krijgen op de werkelijkheid. Een toren met spiraalsgewijze tegels tot in het oneindige. Letters op de tegels die ik niet kan lezen. Ik krijg een vissenkom aangereikt maar voor ik me kan bedenken waar ik het ding neer kan zetten valt de vloer onder mijn voeten weg en kan ik alleen maar hopen op een mooie toekomst voor mij en mijn vissenkom. Via de nek van een giraffe glijd ik door oneindig laagland waarbij ik talloos gedierte voor het hoofd stoot zonder te beseffen welk een veelheid er is welk ik niet meemaak.
Onder water zwem ik de zon achterna terwijl het blauwe schijnsel mijn ziel verwarmt en er niets is dan vrijheid te bewegen waar ik maar wil. Eén word ik met het grasveld waarin ik neervlij. Groot is het contrast wanneer ik in een kleine ruimte kom waarin alle materiële zaken bij elkaar komen en mij opsluiten tot ik nauwelijks een vinger meer kan opsteken. Toch krijg ik de beurt te vertellen wat ik kwijt wil en stamel ik onsamenhangend gezwets waaruit ik zelf de waanzin niet kan ontwarren.
Wederom denk ik mijn eigen huis te herkennen en baal ik ervan dat mijn huis dus ook tallozermale ondersteboven gekeerd moet zijn. Tegen het plafond aangedrukt is er minder ruimte voor harige trollen om mij aan te vallen waardoor ik langzaamaan iets meer rust ervaar. De ruimte is klein, wordt kleiner en vormt zich een cocon om mij heen. Een grote poster aan de muur doet me herinneren dat dit mijn slaapkamer moet zijn. Ik open mijn ogen en tollend word ik ook daadwerkelijk mijn slaapkamer gewaar. Moet ik nu janken van geluk of gewoon maar meegaan met de stroom? Zodra dat bed nu eens een keer stil blijft staan kan ik eens rechtop gaan zitten en om me heen kijken. Nee, dat lukt niet. Te moeilijk.
Wat volgt zijn uren van langzaam wakker worden, kotsen, wegdommelen, genieten, onweer, bliksem, regenbogen, wolken en werelden die niet de mijne zijn. Steeds vaker word ik me mijn slaapkamer gewaar, een gestalte dat naast me ligt zwijgt maar herken ik als de persoon met wie ik die ochtend was thuisgekomen. Met vlagen vloeien werkelijkheid en droomwereld in elkaar over en schokkerig krijgt de materiële wereld steeds meer gedaante.
Herinneringen aan de avond stappen vermengen zich met beelden van lichamen die uit elkaar gescheurd worden. Bloed. Gezichten vervreemden zozeer tot ze zich vormen tot landschappen waarin ik weder mijn weg mag vinden. Wederom een gestalte naast mij waarvan ik steeds meer het idee krijg dat het ook daadwerkelijk een persoon is die naast mij ligt. Hij geeft me een glas water welke ik op de vloer stoot. Ik kots voor een zoveelste keer. Ik hoef niets te vertellen, het is goed zo.
17:00. Weer kotsen. Terug in bed. Ik krijg een slagroomspuit aangereikt. Weer nieuwe werelden. Chaos. Kleur. Achter elkaar reikt mijn vriend mij de gebruiksklare slagroomspuit aan, welke ik gretig tot mij neem. En getriggerd door het lachgas kots ik wederom een pannenkoek de slaapkamervloer op maar het is allemaal niet erg. Het geeft allemaal niets want we begrijpen mekaar.
Nog even, en het wordt weer donker. Dan mogen de lichtjes weer aan en legt de nacht een deken van geborgenheid om mij heen. Het is 19:00, en voor het eerst in 10 uur ben ik weer in staat het bed uit te stappen. Voorzichtig haal ik voor mezelf een glas water welke ik weer uitbraak. Ketamine is straf spul. De K-walk is mij op slag duidelijk en de muren wensen mij goedemorgen. Rechtop blijven staan. Stapje voor stapje. Een avond en een nacht volgen waarin ik steeds getroebleerder word door wat gepoogd wordt de echte wereld te noemen, en ik besluit me eraan over te geven en mijn beslommeringen weder aan te passen aan het aardse bestaan.
Rustig televisie kijken, biertje drinken. Vriend had de laaste trein van de avond gemist en moest nog een nacht blijven slapen. Tot 7 uur 's morgens zijn we op de bank blijven zitten met een paar biertjes, waardoor ik bijna 70 uur wakker was geweest, ketablessuretijd daar gelaten. Pasta met tomatensaus en olijven gekookt als ontbijt en daarna gaan slapen.
Nujuist wakker geworden en een stukje saaie lettertjes zitten tikken welke een afspiegeling zouden moeten zijn van mijn ervaring. Ik heb mijn best gedaan. Leuker kan ik het niet maken, wel langer.