"Drugs: truffels
Soort: High Hawaiians
Dosis: ik denk zo’n driekwart van een bakje van 22 gram, ongeveer 16 gram dus
Gezelschap: 5 ervaren trippers, waarvan twee huisgenoten van mij (N. en G.) en twee vrienden van hen (A. en B.), en ik dus
Locatie: in een studentenflat op de 13e, 14e en 15e verdieping
Ik woon nu al een tijdje in een grote studentenflat, waar ik een keuken deel met 9 anderen. Het leuke aan zo’n plek is dat hoe langer je er woont, hoe meer invloed je krijgt op wie er nog meer komt wonen wanneer er iemand verhuist. Zodoende is het huis inmiddels aardig gevuld met trippers, en voor de kerstvakantie hadden wij (twee huisgenoten en ik) ons dus al maanden verheugd op een prachtplan: we gingen in de flat truffels gebruiken. In onze flat bestaan de huizen uit drie verdiepingen en we zouden dus drie verschillende omgevingen hebben om in te trippen. We hadden afgesproken dat we onze kamers allemaal gingen versieren in een geheim thema, zodat het een verrassing zou blijven tot het moment dat we de truffels hadden genomen. Vlak voor de vakantie verhuisde er plotseling iemand, waardoor we nog een vierde, lege kamer erbij hadden.
We begonnen in de kamer van G., die als thema ‘dromenland’ had. Dit was niet heel bijzonder uitgevoerd, gewoon een decent tripkamer met veel dingetjes als kinetisch zand, traplopers, glowsticks, een kaleidoscoop en een computerscherm met mooie visuals erop. Hier namen we de truffels. Niet iedereen had dezelfde soort, maar ik weet niet meer precies wat iedereen nam. Mijn twee huisgenoten, G. en N., voelden het al behoorlijk snel. Ik was zelf vooral geagiteerd en druk door de honger, want degene die de truffels meebracht was twee uur te laat en ik had daardoor al een uur of zeven niks gegeten. Terwijl iedereen rustig begon weg te zakken in de kleurige kaleidoscopische beelden, wierook en zichzelf, stond ik nog steeds te stuiteren en wilde associaties de kamer in te roepen. Omdat de rest al begon te trippen en mellow in dekentjes op de bank verdween, had ik het vreemde gevoel dat ik alle (naar mijn idee) ‘awkward’ stiltes moest vullen met hysterische verhalen over onzin als hoe veel mijn vader van schapen houdt. Gelukkig werd er niemand echt naar van mij (ik schijn wel amusant te zijn in zo’n staat).
Toen besloten we om naar de volgende kamer te gaan: die van mij. Mijn thema was ‘onderwaterwereld’ en daar had ik behoorlijk wat werk in gestoken. Ik had van gekleurd papier allerlei vissen met dubieuze gezichtsuitdrukkingen geknutseld en die op het raam geplakt, wat mooi afstak tegen het prachtige uitzicht over de gehele stad bij nacht. Verder had ik een hoop kaarsjes neergezet, her en der wat boeken met prenten van het universum rondgestrooid en heerlijke muziek van Strawberry Alarm Clock (aanrader, jaren ’60-rock die gemaakt lijkt om op te trippen) opstaan. Maar de echte verrassing was een volmaakt inktvispak, dat ik een maand geleden per toeval had gevonden in de kelder van het huis van mijn ouders. Dat had mijn moeder kennelijk ooit achteloos genaaid voor een verkleedpartijtje, maar het was echt een fenomenaal gedetailleerd pak, met donkerpaarse en azuurblauwe tentakels en twee grote cartooneske ogen. Ik voelde me nog steeds een soort van verantwoordelijk voor het amusement van de groep, dus deed ik dat pak maar aan. Dat vonden ze grappig.
Toen begon de ellende. Ik dacht dat het misschien prettig zou zijn om van mijn opgefokte gevoel af te komen door even in mijn eentje in de lege kamer te gaan liggen. Bij nader inzien was het ook niet zo’n goed idee om mijn kamer zo overdadig te versieren; ik werd een beetje naar van de kleurenkots die van de muren af leek te spatten, en alles leek veel te fel en fluorescerend. Toen ik in de lege, verduisterde kamer lag, met mijn ogen dicht, in de prettige koelte die door het openstaande raam naar binnen woei, merkte ik pas dat de trip allang begonnen was. Op de binnenkant van mijn oogleden speelden zich krankzinnige dingen af. Ik zag vooral fractals, die zich vormden uit een Yugi-Oh-achtig personage. Daar raakte ik een beetje van streek van, omdat ik nog nooit één aflevering van zo’n Japanse monstervechtkinderserie heb gekeken. Kom op! Waarom dit! Vanuit de vreemde beelden op mijn netvlies raakte ik al gauw verstrikt in een heel diep net van uitzichtloze filosofische gedachten. Waarom zag ik dit? En hoe kon het dat mensen altijd dezelfde soort dingen (kaleidoscopische beelden, fractals) zagen wanneer deze paddenstoelenstof hun hersenen bereikte? Waarom zag ik zulke felle kleuren? Vroeger, toen er nog geen neonreclames waren, moet zoiets goddelijk zijn geweest. Voor mij echter was het een herhaling van zetten. Alles was al gedaan. Wat was er nou op de wereld: wetenschap, kunst, muziek, woorden, drugs die je de illusie geven van iets nieuws. Alles had ik al eens gezien, er viel niets meer te ontdekken. Ik kon me ineens levendig inbeelden dat mensen zelfmoord wilden plegen, als ze constant in deze staat verkeerden. Steeds zoeken naar hogere kicks, maar niets kan je die geven omdat er niets is. Dat magische gevoel dat je krijgt wanneer je drugs gebruikt, het gevoel dat er iets hogers is, is puur een reactie in een daarvoor bestemd deel van je hersenen. De één is er genetisch vatbaarder voor dan de ander. En hoe erg we op dieren lijken: we worden geboren, gaan door een rebelse periode, krijgen kinderen, takelen af en sterven. Ieder hetzelfde. Ik overzag de wereld in vogelvlucht en de banaliteit van alles maakte me intriest. Mijn gedachten spiraliseerden snel de keten van de zoektocht naar nut af, maar uiteraard was de conclusie dat niets nut had, alles eindigde in dood en dan maakte niets meer uit. En de vragen! Waarom bestaat dit universum? Wat was er voor het universum ontstond? Wat kon het in godsnaam schelen wat wij als ronddwarrelende kruimels daarin uitvoerden? Het dijt uit, maar waarheen? Al dat soort vragen die je jezelf als kind waarschijnlijk vaak hebt gesteld, maar waarbij je je hebt neergelegd omdat het geen zin heeft erover na te denken en het je enkel angst inboezemt. Op dit moment kwamen ze keihard binnen en het immense zwarte gat waarachter het complete vacuüm van antwoorden gaapte, knelde en klemde om me als postelastiek en ik kon met geen mogelijkheid aan iets anders denken.
De deur ging open. Er kwam iemand binnen: B., de vriend van N. Hij kwam even naast me liggen, alsof we naar de sterrenhemel keken in plaats van naar het plafond. Dit kalmeerde me enigszins – hoewel ik op zich eigenlijk niet in paniek was, en vrij rustig bleef onder het gedachten-onweer in mijn hoofd. We praatten wat, ik weet niet meer waarover, het was moeilijk om woorden uit te stoten over het lawaai van mijn hersenpan heen. Na een tijdje besloten we terug te gaan naar de rest.
De andere trippers zaten nog in hun oude positie op mijn inmiddels hels verlichte kamer, in bleek, fel pastelkleurig licht dat uit een van kleur verschietend Boeddha-hoofd kwam (dat stond er echt, een goedkoop lampje van de Action). N. lag als een stervend omaatje onder een deken op mijn bed, B. leunde kalmpjes tegen haar aan, G. zat als een verlichte sjamaan in een slaapzak intens gelukkig naar een foto van een man met een nazikapsel op mijn muur te kijken en A., ten slotte, lag op een matras op de vloer te grinniken om niets in het bijzonder. Het kon me echter niet geruststellen en, terwijl ik kaarsrecht op een klein hoekje van het bed zat, raaste de gedachtensneltrein weer voort. De kernknelpunten waren nog steeds de dierlijkheid van de mensheid en de treurige manier waarop we allemaal hetzelfde deden, en dat niets zin had. Ook vond ik het concept van bewustzijn een gestoord spacend idee. Ik zag op een abstracte manier voor me hoe mijn bewustzijn, verpakt in het balletje van mijn lichaam, zich als een flakkerend kaarsje bevond tussen die vier andere vormen van bewustzijn in de kamer, allen in hun eigen omhulsel. Dit was, anderzijds, ook wat me een beetje op de been hield: als er dan niks bijzonders, niets daadwerkelijk verhevens bestond, was er op zijn minst het aardse raadsel van bewustzijn. Leven dat ooit uit koolstofatomen is ontstaan en er nu toe heeft geleid dat ik dit mee kan maken. Maar hoe kan het dat ik zo zeker weet dat dit allemaal niks te betekenen heeft, terwijl sommigen juist spirituele zingeving uit dit soort drugservaringen halen? En wat denken die andere levensvormen, die gelukkige zakken mens die daar op de grond liggen, nu? Weten zij iets wat ik niet weet? En al die huizen daar, waar iedereen in licht aangepaste vorm hetzelfde ligt of staat te doen, hoe kan het dat daar nog meer boterhamzakjes met bewustzijn in wonen? Het maakte me verdrietig dat, hoewel de omhulsels zo broos en teer waren, de feitelijke inhoud ervan nooit met elkaar zal kunnen versmelten, ook niet tijdens de meest verwoede pogingen daartoe (seks). Maar tegelijkertijd zijn wij, veel meer dan we zelf denken, één, als een mierenkolonie. Ik ontdek met mijn hersenonderzoek één ministukje van de puzzel, maar als mensheid ontrafelen we het geheim. Dat er dus niet is. Waar leidt het nu eigenlijk toe? Niets. Niets!
Afijn, zo draafde het dus constant door. Wat ik er wel bij moet zeggen is dat ik, ondanks dat ik me behoorlijk wanhopig, bang en misselijk voelde, nooit de neiging had om dit aan de anderen te laten merken of iets te doen om uit de trip te komen (we hadden een wagonlading Dextro Energy ingeslagen, hoewel dat eigenlijk een placebo schijnt te zijn). Hoe overweldigend de gedachten ook waren, ik was er wel van overtuigd dat het over een paar uur weer voorbij zou zijn. Daarbij trok praten met de rest, voor zover ik daartoe in staat was, me steeds net op tijd weer naar boven uit mijn verstrikkende gedachtenweb. En hoewel ik het nog nooit in deze mate had meegemaakt, waren dit soort gedachten en angsten ook niet nieuw voor me, als kind had ik hier veel last van.
Later vertrokken we naar de derde kamer. Die was ook vet ingericht: N. en B. hadden allerlei deurtjes geknipt uit papier met daarachter afbeeldingen van dingen waarvan zij dachten dat het ‘poorten’ naar hogere sferen zouden zijn (kleurige tempels en zo; ik heb er niet goed naar gekeken). De jongens gingen naar buiten om te roken, waardoor ik met N. op haar kamer achterbleef en, op zoek naar wat aardse afleiding, vruchteloos in enkele boeken bladerde. Na een tijdje verbrak N. de stilte door me een gebreide neushoorn toe te werpen met de woorden “Trouwens. Dit is Henk”.
Even later gingen we Alice in Wonderland kijken (de oude, getekende Disneyversie). Ik kreeg er weinig van mee omdat mijn gedachten nog altijd om het hardst schreeuwden. Totdat ik iets hoorde vallen. Dit ergerde me, omdat ik dacht dat iemand shit aan het omgooien was, maar toen ik keek bleek het B. te zijn. Hij wilde water gaan drinken, maar was out gegaan en op de grond gevallen. Gelukkig kwam hij meteen weer bij en liep het goed af. Ook dit trok me weer enigszins naar de oppervlakte.
Langzaam ebde de filosofische vloedgolf weg. Het was inmiddels half één en tijd om te tjappen. Ik maakte iedereen dolblij met het fantastische voedsel dat ik had ingeslagen (ook een aanrader): Luchtig Toetje van Campina. Dat is een soort mierzoete, opgeklopte bananenvla die, tja, voor minstens de helft uit lucht bestaat en je mond een ongekend fluffy ervaring bezorgt. Daarnaast had ik een vers afgebakken broodje met avocado en kerstomaatjes klaargemaakt. Ik vertelde dat ik eigenlijk heel slecht was gegaan, maar dat was niemand opgevallen. Ik moest lang en ontwapend lachen om het feit dat een parterretrap (ik weet niet meer waarom we het daarover hadden) een palindroom was, waarvan eigenlijk nooit iemand over de betekenis nadacht. Die had ik namelijk opgezocht en een parterretrap is een trap naar de begane grond van een gebouw – waarom is er dan een trap nodig?! (Vanuit de kelder natuurlijk, maar het was toch erg grappig toen.) Om bij te komen hebben we nog de halve nacht grappige onzinfilmpjes gekeken (hoogtepunt: https://www.youtube.com/watch?v=Z6_rr_pnjuk).
Het gekke en mooie was dat de dagen erna deze slechte trip een steeds mooiere glans over mijn leven begon te werpen. Toen ik in het diepste dal zat, zocht ik naar dingen die mijn leven de moeite waard maken en besefte ik wat een belachelijke goede liefde ik heb en dat sommige connecties zelfs met de notie van zinloosheid en dat niemand elkaar (door die omhulsels die verschillende bewustzijns van elkaar scheiden) echt kan kennen, nog diep en kleurrijk lijken. Ook kon ik die dagen daarna trippy muziek en films extra waarderen en genoot ik van de warmte van mensen om me heen en alle kerstige kitsch op tv. Het leek een soort omgekeerde dinsdagdip. Als kers op de taart bedacht ik een dag later in de trein een nieuw levensdoel: onderzoek doen naar de onbekende neurobiologische effecten en mogelijke therapeutische toepassingen van psilocybine, waar nog schrikbarend weinig over bekend blijkt. Ik kan een pioneer op dit gebied worden en uiteindelijk de paddoprofessor van Nederland worden, die in talkshows haar deskundige mening geeft over alles wat psychedelische drugs te maken heeft (hoog inzetten ). Er blijkt hier een stichting voor te zijn (stichting OPEN voor de geïnteresseerden), die jonge ambitieuze wetenschappers en studenten financieert en helpt.
Kortom werd mijn slechte trip uiteindelijk een mooie en verrijkende ervaring. Ik had nog nooit zo hard getript (wel twee keer eerder truffels gebruikt, maar niet in zo’n hoge dosering), en ik kan niet wachten om het nog eens te doen in een wat rustiger periode van mijn leven waarin ik niet zo bezig ben met de grote vragen des levens (ik sta op dit moment nogal op een kruispunt) en in een wat prikkelarmere omgeving - maar zónder lege kamer! - om te genieten van de mindblowing mogelijkheden die mijn medetrippers ongetwijfeld ervaarden."