So familiar and overwhelmingly warm
This one, this form I hold now.
Embracing you, this reality here,
This one, this form I hold now, so
Wide eyed and hopeful.
Wide eyed and hopefully wild.
(Tool – Parabol)
Zomer 2020
T+0: Methallylescaline - 35 mg
T+1: 1P-LSD - 150 µg
T+2: 2C-D - 35 mg.
We nemen de methallylescaline (mescaline-analoog) in en lopen naar buiten voor een wandeling. Hij loopt snel, ik hou hem amper bij. De grond voelt heet aan onder mijn blote voeten. Het stadsparkje is klein en we gaan op in de anonimiteit van de stad. Ik laat het op me afkomen. Als het op begint te komen besluiten we richting huis te gaan. De mensen op straat doen steeds karakteristieker aan en ik voel een soort zenuwachtige meligheid opkomen.
De overgang van omgeving zorgt ervoor dat ik me er direct meer bewust van ben dat ik trip. In de badkamer is het vrij donker en de eerste visuals zijn niet meer te ontkennen: kleurtjes, flikkeringen, neon, patroontjes. Lichamelijk voelt het allemaal vrij ongemakkelijk en ik vind het nog het meest vergelijkbaar met LSD in plaats van mescaline. Het is nu T+1 en we nemen allebei onze 1P-LSD in. We gaan in de snikhete tuin zitten en nemen een duik in het zwembad.
Ik voel me niet prettig. Alles voelt verdorven aan. Ik voel me vies en lelijk, ik weet niet wat hier nu eigenlijk de bedoeling van is. Ik weet niet waar ik moet kijken, weet niet waar ik moet zitten, wat ik moet zeggen, zie mezelf bijna levend verbranden door de hitte en ik walg van mijn eigen vieze vlees. Ja, de opkomst van psychedelica is niet mijn favoriete onderdeel.
Zo rond T+2 nemen we de 2C-D in. Op dit punt weet ik eigenlijk niet echt meer wat ik aan het doen ben en de inname opschrijven in mijn notitieboekje is geen makkelijke opgave. Terwijl ik mijn best doe mij nog staande te houden in de dagelijkse realiteit zegt X dat zijn trip ‘vrij mild’ is (maakt hij een grapje?) en neemt vervolgens nog eens 100 mcg 1P-LSD bij. Ik voel mijzelf verder wegzinken in negativiteit. Ik weet al dat dit niet veel goeds voorspelt.
Nu wordt het allemaal verwarrend en moeilijk te omschrijven. Het voelt als een chemische cocktail in mijn lichaam. Dat is het natuurlijk ook. Ik moet door een soort schil heen, ik zweef ergens rond, ben kwetsbaar en toegankelijk voor allerlei rare energieën. Ze proberen me te laten denken dat alles leeg is, dat alles bestaat uit lege, geautomatiseerde processen. Bewustzijn is doelloos, het zijn allemaal eindeloze lege cirkels waar geen ontsnappen aan is.
We zijn tot elkaar veroordeeld, X en ik.
Ik zie hem verjongen, voel mijzelf verouderen, we worden allebei zo lelijk mogelijk neergezet en een foute overdreven sadomasochistische scene doemt op. Er wordt een kader omheen gezet, een lijst. Hij en ik uit proportie getrokken, verlept bloempje erbij, goedkope plastic tafel, smoorhete zon, mijn eigen stinkende zweet, vies zwembad met groenbruin water. De foto wordt genomen. En opnieuw, en opnieuw, en opnieuw. Klik. Klik. Klik. Het staat vast. Tot elkaar veroordeeld.
Eenwording is een feit. Op alle mogelijke manieren zie ik eenwording gesymboliseerd. Allemaal stipjes samen tot één stip. Alle letters van het alfabet, één voor één en dan in elkaar oplossend tot één letter welke alle letters weergeeft. Vele tekens en symboliek die bij elkaar komen tot één allesomvattend symbool. Maar het heeft een duister randje.
Misselijk. Oorverdovend stil. In een poging de stilte te doorbreken hoor ik mezelf overdreven lachen en rare dingen zeggen. Afstotelijk. Dom. Oppervlakkig. Wat een faalactie weer. Wat ben ik aan het doen? Wat is dit voor onzin? Wat doet hij bij mij? Wat doe ik bij hem?
Hij zou nu vast veel liever alleen trippen. Hij zit met mij opgescheept. Hij bedenkt zich nu wat een slecht idee dit was.
Misschien moet ik dit hele trippen achter me gaan laten en mijn leven gaan leiden zoals het hoort, zoals van me verwacht wordt. Misschien moet ik ophouden met dit gekke gedoe. Dit is allemaal een fantasie waar ik in wegvlucht. Gewoon normaal gaan doen. Net als de rest. We gaan dit allemaal vergeten, niks gebeurt, omkeren en weer verder in het dagelijkse geautomatiseerde bestaan. Nummertje zoveel op rij, vergeten wat ik ben vergeten.
Hij aan de ene kant van het zwembad, ik aan de andere. De spanning is om te snijden, ik voel me zo ongelooflijk ongemakkelijk. Hoe harder ik probeer om het ongemakkelijke gevoel weg te laten gaan, hoe erger het wordt. Als er af en toe wat gezegd wordt is het constant op honderd mogelijke manieren op te vatten en heb ik geen idee welke manier er bedoeld wordt. Het bouwt nog verder op in mijn lichaam en ik weet dat het zo ver moet worden opgebouwd tot het ondraaglijk wordt. Ondraaglijke ongemakkelijkheid, en dan nóg iets ondraaglijker, het moet uit zijn voegen barsten voordat het kan exploderen in iets anders.
De stilte houdt eindeloos aan. Ik kom bij hem zitten, zeg iets, maar merk dat het de ongemakkelijkheid niet wegneemt. Ik kan beter weggaan. Ik stap uit het bad.
Meer dan een uur ontbreekt in mijn herinneringen.
PIEK
Het volgende wat ik me herinner is dat we op de tegels in zijn tuin zitten. Het zonlicht is zo wit. Alles om me heen licht wit op en heeft een warme zachte gloed. Van ongemakkelijkheid is totaal geen sprake meer. Het voelt vertrouwd. Het voelt als een dag in het dagelijks leven van het leven van een ander.
Hij is jong, en zo mooi. Ik ben… wat ben ik? Ik ben licht. Lief licht. Hij is een stadsjongen van een jaar of 16. Een prachtige, klassieke, onzekere gymnasium jongen. Zich nog amper bewust van de schoonheid die hij in zich draagt, aan het worstelen met zichzelf ten opzichte van de wereld, niet half wetend wat een kwaliteiten hij in zich draagt in een verharde omgeving die van alles van hem verlangt. Zoekende nog naar zijn identiteit, pijnlijk gevoelig.
Hij zegt dat hij iemand moet bellen. Hij vertelt en hij vertelt. Ik kan de draad niet volgen, de woorden amper begrijpen. Maar ik versta de toon. De verscheidenheid aan klanken zegt mij alles over intentie, alles over waarheid. Ik voel precies wat er gebeurd is, hoe alles is gelopen. Als ik mijn ogen sluit en écht luister met mijn volle aandacht, versta ik alles.
Wanneer hij me om inhoudelijk advies vraagt kan ik hem niet helpen, woorden ontbreken me. Maar gevoelsmatig moedig ik hem aan. Hij zoekt bevestiging, geeft mij ingang hem te beïnvloeden. Ik heb een mening over het onderwerp, maar ik voel: het enige juiste is mijn mening níet opdringen. Het enige juiste is: hem zelf laten voelen. Hem leren op zijn eigen innerlijke stem te vertrouwen. Ook al denkt hij zelf misschien meer gebaat te zijn bij wat houvast. Elke keer als hij onzeker mijn kant op kijkt, kijkend of hij het juiste doet, leg ik het vriendelijk terug bij hem. Zelf voelen. Alleen datgene doen wat 100% uit jezelf komt, er mag geen inmenging zijn van anderen, en ik wil ook niet de verantwoordelijkheid van zijn keuze dragen.
Ondertussen hoor ik vanuit rechts omhoog allemaal stemmen. Ze praten door elkaar heen, vertellen allemaal iets anders. Buren? Voorbijgangers die ik versterkt hoor? Nee, toch niet. Dit is iets anders. De stemmen praten tegen elkaar, het zijn scènes van allerlei verschillende mensen in verschillende situaties. Het zijn er teveel tegelijkertijd om ze te kunnen verstaan, maar ik zie de scènes levendig voor me. Een student die op kamers zit, en uit gaat met haar vriendinnen. Een man, die ruzie maakt met zijn vader. Een kind, biddend tot God. Plots ben ik geen toeschouwer meer van de scènes die ik zie. Plots leef ik de scènes. Fragmenten van de levens van anderen. Ik heb het allemaal al meegemaakt en ik zal het allemaal nog meemaken. Hoe kon ik ooit jaloers zijn op iemand die iets had wat ik niet had? Ik heb het allemaal. Ik ben het allemaal.
Terwijl de jongen zo oprecht blijft vertellen zie ik mijzelf in allerlei rollen voor me. Wat leer ik veel over mijzelf, puur door te luisteren naar zijn verhaal. Wat heb ik veel kanten in mij, net als iedereen. Ik ben moeder, ik ben kind, ik ben leraar, ik ben student, ik ben vriend, ik ben kennis, ik ben toeschouwer, hoofdrolspeler, figurant. Ik ben alles, ik mag alles zijn, wij allemaal. In eindeloze cirkels.
Terwijl hij zo puur en kwetsbaar zijn overwegingen blootgeeft voel ik een immense liefde voor hem opkomen. Een warme, onvoorwaardelijke, moederlijke liefde. Ik ben gecreëerd, en ik heb gecreëerd. Ben ik zelf de moeder, heb ik deze jongen, alles om hem heen, en zelfs mijzelf gecreëerd?
De jongen lijkt om goedkeuring te vragen. En dan gaat het mis: terwijl hij vraagt wat hij moet doen zeg ik “zelf voelen”, maar terwijl ik dat zeg lijkt er plots iets in mij te zitten wat de uitspraak enorm veel kracht bij zet, en het klinkt zo hard en zo koud! Ik zie hem verschrikt met grote ogen in elkaar duiken. Fuck, zei ik dat echt zelf? Kwam dat echt uit mij?! Ik voel mij als een koude, liefdeloze moeder, die tekeergaat tegen haar kind die nooit iets verkeerd heeft gedaan, enkel wanhopig smacht naar liefde. Ik barst spontaan in tranen uit. “Sorry, dat was ik niet, dat kwam niet van mij, ik heb dat nooit bedoeld!” En opeens gaat het heel snel; ik krijg een flashback naar een donker gedeelte van een trip van X in het verleden. En ik zie ineens dat ik nu, op dit moment, die trip van hem onbewust en onbedoeld op een negatieve manier heb beïnvloed! Alsof ik de poppenspeler was, die aan zijn koordjes trok, en hem daarmee de duisternis in sleurde. WHAT THE FUCK???!!! WAS IK DAT?! En hoe kan ik NU, op dit moment, iets beïnvloeden wat in het VERLEDEN is gebeurd??!
Ik heb geen verklaring voor deze creepy shit en het maakt me bang. Ik ben hard aan het pieken en er gebeurt zo veel tegelijkertijd, ik trip in drievoud. X krijgt niet veel mee van mijn innerlijke worsteling en vertelt verder, waardoor ik wat er net gebeurde maar gauw probeer te vergeten, omdat het mijn voorstellingsvermogen ver te boven gaat en ik de gevolgen van deze nieuwe waarheid niet kan overzien.
Ik ga weer op in zijn verhaal. Zijn afwegingen laten mij dwars door zijn persoonlijkheid heen kijken. Liegen zou onmogelijk zijn, ik zou het onmiddellijk doorzien. Dan vraagt hij of ik zijn hartslag even wil controleren, want hij heeft het gevoel dat zijn hart wel heel hard klopt. Ik vraag hem om zijn pols, en probeer zijn polsslag te voelen. Terwijl ik dat doe vlieg ik plots zijn lichaam in. Ik hoor zijn hartslag overal om mij heen, ga via de binnenkant van zijn arm door de rest van zijn lichaam, zie zijn hart pompen. Door zijn gehele lichaam voer ik een fysieke controle uit, zijn hartslag klinkt niet sneller dan normaal, en alles ziet er gezond uit. Als ik klaar ben schiet ik uit hem en vertel ik hem dat hij lichamelijk helemaal in orde is. Ik ben verrukt, maar niet eens verbaasd door deze kracht waarover ik nu beschik. Ik wist al dat het kon.
Elke keer als ik in gedachten het juiste doe, het onzelfzuchtige, licht mijn hele omgeving op. Door de bewondering die ik voor hem voel, voel ik ook hoeveel liefde ik zelf in me heb. Alles wordt nog warmer, zachter, witter, het is als een droom. Een golf van universele liefde komt over me heen, rechtstreeks vanuit de bron. Het is mooier dan alles wat er bestaat, het ís alles wat er bestaat. En ik ga doen wat het allermooiste is wat ik kan doen: ik ga het weggeven. Ik twijfel geen moment, ik weet wat het juiste is. Ik ga het aan hem geven. Want liefde geven is zo veel mooier dan liefde voor jezelf houden.
Ik laat de golf van liefde naar hem toestromen terwijl hij midden in zijn verhaal zit, hij weet niet wat ik doe, maar dat hoeft ook niet, want het is onvoorwaardelijk. Ik zie hem zuchten terwijl hij verzacht, zie hem volledig in zijn recht, zonder blokkades of invloeden van buitenaf, zo precies zoals hij is.
Mijn hart smelt. En met het geven van die golf van liefde, vermenigvuldigd de golf zich en komt weer bij me terug. Wie liefde geeft, oprecht en zonder er iets voor terug te willen, ontvangt liefde.
Hij heeft zijn keuze gemaakt en het is tijd dat hij actie onderneemt. Hij gaat naar binnen voor Het Telefoongesprek, terwijl ik mijn best ga doen om er absoluut niks van te horen zodat hij 100% vrijuit kan praten. Meermaals komt hij terug, naakt, leunend tegen de deurpost terwijl het felle zonlicht door zijn krullen schijnt, twijfelend, zijn overwegingen kenbaar makend. “Vind je het dan goed als ik hem bel..? Laat me niet zo los, hier…” zegt hij op een intens vertederende, kwetsbare manier. Ik voel mij zo intens vertederd door zijn verschijning. Hij biedt zijn excuses aan voor zijn wispelturigheid, maar ik kan enkel glimlachen. “Je bent zo mooi”. Het lijkt wel een scene uit een film. Ik voel zo veel dankbaarheid. Zo dankbaar dat ik dit mee mag maken. Dit moment zit in mijn geheugen gegrift.
De Tuin
Hoewel ik uiterst nieuwsgierig ben ga ik mijzelf 100% afsluiten om niets te kunnen horen. Ik loop gelukzalig naar de uiterste uithoek van de tuin, in de volle zon, en ga daar op de grond tussen de planten zitten. Alles om mij heen heeft een zachte, witte, lichtgevende gloed. Het valt me nu pas op dat ik naakt ben, en de insecten kruipen over me heen. Oordeelloos observeer ik mijn nieuwe omgeving. Ik kijk naar de plant, en de plant kijkt naar mij. We maken contact. En we versmelten. Ik kruip in hem en hij in mij. Afscheiding is een illusie.
Al heel snel krijg ik weer gedachtes, uit enthousiasme. ‘Oh, het gebeurt!! Oh, wat is dit geweldig. Oh, dit moet ik delen.’ Door die gedachtes ben ik er weer uit. We maken weer contact, en opnieuw gebeurt het. We zijn dezelfde, dit is thuiskomen. Tot er na een paar seconden weer een gedachte komt. ‘Oh, wat heb ik hier lang op gewacht, wat is dit mooi’. En weer ben ik er uit. Stop met denken! Opnieuw contact, ik word in de plant gezogen, een kort moment van angst maar ik weet dat het goed is. Elke keer als dit gebeurt maakt mijn hart een sprongetje, en door mijn enthousiasme schiet ik dan weer in mijn hoofd, en uit het moment.
Ik word steeds stiller van binnen, gedachten doven uit. Ik voel de kracht in mijzelf, de liefde in mijzelf. Ik hou van mijzelf. En die liefde wil ik vooral overbrengen. Ik geef liefde aan de planten om me heen, aan de insecten, aan X die binnen is en aan de mensen die ik in de verte hoor. Ik voel mij een stralend meisje die in plaats van bloemen, liefde uit haar mandje strooit terwijl ze door het leven huppelt. Alle zoetsappige cliche’s ten top, het kan me niks schelen. Ik ben een liefdesmeisje, een liefdesgodin!
De maatschappij zoals deze zich nu ontwikkelt is een virus, en er is maar één vaccin: liefde. Verspreid liefde in de wereld, en het zal de leegte en de kilte langzaam laten verdwijnen. We zijn gemaakt om onszelf te ontdekken, het hele scala aan ervaringen bewust en ten volle mee te maken. We zoeken comfort, maar daarmee verdoven we onszelf en verliezen we het contact met wie we werkelijk zijn. Pijn, verdriet, ongemak: het hoort er allemaal bij. Laten we het bewust voelen, in plaats van ons te verschuilen in onze huizen en ons te laten vergiftigen door televisie, de overheid, slechte voeding, slechte adviezen en medicatie. Maar eerst moeten we genoeg zonlicht laten schijnen over degenen die zichzelf kwijt zijn. We moeten ze opwarmen, ze wakker zien te maken, en ze hun liefde binnenin hunzelf weer laten vinden. En als ze het gevonden hebben, zullen zij op hun beurt weer anderen genezen. Als we met genoeg zijn, zal dit de grote verandering teweegbrengen. Het systeem gaat neer, en we gaan weer leven zoals het bedoeld is.
Bedenk ik dit zelf, of heeft de plant me dit net ingefluisterd?
Natuurlijk is dit ook de enige manier waarop de planten, onze roots, kunnen overleven.
Het lastige is dat geforceerd op zoek gaan niet lukt. Ga je dwangmatig zoeken naar liefde, dan vind je het niet. Sta je ervoor open maar verwacht je niets, dan zal het tot je komen. Dat merk ik keer op keer, ook weer tijdens deze trip. Nu, in dit moment van stilte en geen verwachtingen, komen de inzichten. Ik ren naar de tafel om alle belangrijke inzichten gauw op te schrijven in mijn notitieboekje. Terwijl ik daar aan kom hoor ik vanuit het huis hoe X hevige ruzie aan het maken is aan de telefoon waarbij hij zijn stem flink verheft. Oh, ik wil zo graag horen wat hij zegt. Maar het mag niet. Het mag niet, ik heb beloofd dat ik niet mee zou luisteren. Dus met moeite hou ik mijn oren dicht, begin hardop te zingen om zijn stem niet te horen, en ren weer terug naar mijn plekje. Als ik daar weer ben weet ik niet meer wat ik op wilde schrijven. Genietend ga ik weer op in de natuur.
Coming down
Als X terugkomt is hij geen 16-jarige jongen meer. We praten na, ik kom nog steeds amper uit mijn woorden, maar ik merk dat ik wel langzaam wat meer uit mijn trip aan het komen ben. De trip wordt luchtiger.
Als hij wat drinken haalt en weer naar buiten komt lopen zie ik dat hij een insect achterop zijn schouder heeft. Aangezien hij bang is voor insecten vanaf een bepaalde grootte sla ik het beestje impulsief van hem af. Zeer geschrokken kijkt hij me aan. “Wat doe je nou?!” Hij zoekt het beestje van de grond en zet het weer op zijn arm, het beestje is gelukkig nog piekfijn in orde. Hij vertelt dat dit zijn nieuwe vriendje is. Samen kijken we naar wat het beestje aan het doen is. Hij is niet vies, hij is niet eng, hij is… ja, hij is, gewoon. We bestuderen hem met de verwondering van een kind, zien hoe hij zijn vleugeltjes probeert te drogen, zich uit lijkt te sloven. Het brengt ons terug naar vroeger, toen we nog met die blik de wereld in keken. Waarom is dat verloren gegaan? De wereld is nog steeds zo interessant en er is nog steeds zo veel te ontdekken. Uiteindelijk zien we dan hoe ons kindje zijn vleugels spreidt en het ouderlijk nest verlaat, de wijde wereld in trekkend. Ahhhh. Het ontroert ons. En dan te bedenken dat ik hem bijna vermoord had.
De uren hierna verlopen rustiger. Ik merk een behoefte om mijzelf verder te ontdekken, wie ik ben als mens los van anderen, wie ik was voordat ik beïnvloed werd door de externe omgeving, wat mij heeft gevormd als kind, waaruit mijn persoonlijkheid nu werkelijk bestaat, waar ik van hou, waar ik nog mee worstel, wat ik leuk vind. Ik neem me voor om ook weer een keer alleen te gaan trippen om dit verder te onderzoeken. Mijn rug doet te veel pijn om nog van de trip te genieten, al voel ik mij mentaal heerlijk ontspannen en zou ik nog wel de hele nacht willen kletsen en lol willen maken als ik weer beter uit mijn woorden zou komen. Helaas hebben we verplichtingen de volgende ochtend, dus uiteindelijk raap ik mezelf bij elkaar en springen we onder de douche.
Tijd voor de ontlading, de spanning glijdt van ons af, de zware gesprekken en gedachtes door het doucheputje, de zorgen zijn voor morgen en zelfs de rugpijn spoel ik een beetje weg. In dit moment bestaan alleen wijzelf en de douche. We knuffelen elkaar terwijl het water over ons heen stroomt, ik verslik me in het water, we wassen elkaars haren, verstoppen de zeep, plagen elkaar steeds opnieuw met de temperatuur van het water, stampen in de plassen en lachen tot we niet meer bij komen. Ik zie weer die jonge jongen in hem, zorgeloos, plezier makend, onschuldig als een kind. Terwijl ik me afdroog kijk ik vertederd naar hoe hij blij in het rond springt. Hoewel ik me af en toe wel kan laten gaan, heb ik die onbevangenheid zelf niet meer. Soms zou ik ook wel weer zo willen zijn, maar daarvoor draag ik te veel met me mee.
We gaan in bed liggen, en uiteindelijk val ik na een benzo tevreden en dankbaar in slaap. De ervaring was bizar, geweldig, heftig, verwarrend, prachtig en vreemd. Ik weet niet of de combinatie van middelen voor herhaling vatbaar is. Het heeft even wat verwerkingstijd nodig gehad. Maar wat was het mooi.